| Laatste wijziging: 26 Augustus 2010 |
PDN: 0183 Details van Mr. Cornelis Suijs
Voor zijn plaats in de stamboom zie:
PDN: 0183
Mr. Cornelis Suijs |
1. Mr. Cornelis Suijs, een korte beschrijving van leven en werken Geb xx-xx-1509 ; Ovl 19-09-1580 s-Gravenhage ; Beroep: Raad Ordinaris, Hoogheemraad(Delfland), Ambachtsheer(Rijswijk), President van het Hof van Holland Zoon van: Suijs / Cornelis PDN: 0166 Gehuwd met: Huwb xx-xx-1534? van Droogendijck \ Maria ; Geb xx-xx-xxxx? ; Ovl 15-11-1539 Kinderen: PDN: 0293 Barbara ; Geb xx-xx-xxxx? PDN: 0294 Cornelia ; Geb xx-xx-xxxx? PDN: 0295 Joanna ; Geb xx-xx-xxxx? Gehuwd met: Huwb 22-09-1545 Mechelen de Bije \ Anna ; Geb xx-xx-1513? ; Ovl xx-xx-1558? Kinderen: PDN: 0184 Maria ; Geb xx-xx-xxxx? PDN: 0296 Cornelis ; Geb xx-xx-xxxx? PDN: 0297 Anna ; Geb xx-xx-xxxx? PDN: 0298 Margaretha ; Geb xx-xx-xxxx? Gehuwd met: Huwb xx-xx-1562? van Schoonhoven \ Catharina ; Geb xx-xx-xxxx? ; Ovl 16-09-1572 Kinderen: PDN: 0299 Cornelis ; Geb xx-xx-xxxx? PDN: 0267 Catharina ; Geb xx-xx-xxxx? |
Huis Den Burch te Rijswijk |
3. Het ambacht Rijswijk: Uit: "Oud Rijswijk" door A. Rodenburg (hfdst. XXI blz. 118 e.v.): In chronologische volgorde worden achtereenvolgens met de ambachtsheerlijkheid beleend na de dood van graaf Jan van Nassau: in 1539 René de Chalons, dezelfde, die in Frankrijk het prinsdom Oranje bezat en in 1544 sneuvelde in de loopgraven van St Dizier. Willem van Oranje erfde toen op 11-jarige leeftijd van de gesneuvelde neef niet alleen het prinsdom Oranje, maar hij werd ook beleend met de ambachtsheerlijkheid van Rijswijk in 1545. Uit de Kerkelijke archieven van de Nederlands Hervormde Kerk te Den Haag is de volgende registratie: Hermannus Proost, klerk en geadmitteerd publiek notaris voor het hof van Holland, verklaart dat voor hem is verschenen Cornelis Suys, ordinaris raadsheer van de koning, in het Hof van Holland, die op het St Pieters altaar in de parochie te Rijswijk een vicarie ten behoeve van zijn kleinzoon Augustinus van Teijlingen gefundeerd heeft. (oorspr.: met getekend zegel en geschreven waarmerk van de notaris.) Uit: "Twintig eeuwen Rijswijk" door Mr. H. Hardenberg. (Hfdst. 2 De Heren van Rijswijk blz. 26 e.v.) Als Heer van Polanen schijnt Prins Willem van Oranje meer aandacht gehad te hebben voor de Loosduinredijkse tienden onder Monster, waarvan de wederhelft aan Mr. Cornelis Suijs, raadordinaris in het Hof van Holland, toebehoorde, dan voor het bezit van het ambacht Rijswijk, waar Suijs reeds over het recht van de wind, de visserij, de vogelvangst en het bottinggeld beschikte. Op 11 mei 1557 kwam daartoe te Breda een ruil tot stand en droeg de Prins de ambachtsheerlijkheid met het schoutambt, het bode- en klerkambt, de tijns, de huishoenderen, benevens het recht op een derde van de criminele boeten aan Cornelis Suijs over. De beloning met het ambacht Rijswijk en de daaraan verbonden rechten door stadhouder en leenmannnen van de Hollandse leenkamer volgde een maand later. Bovendien wist Suijs gedaan te krijgen, dat hem op 10 februari 1558 de hoge heerlijkheid van Rijswijk voor 600 pond in pand werd gegeven, ondanks de plechtige verzekering van Hertog Philips de Goede, dat dit nimmer zou geschieden. Uit de krant "Het Binnenhof” in 1982 zijn de volgende passages: Deze Mr. Cornelis Suijs was raadsheer in het Hof van Holland, hij werd in 1557 beleend met het ambachtsheerschap en schoutambt van Rijswijk en woonde meestal op De Burch aldaar. De ambachtsheerlijkheid Rijswijk, in 1557 overgedragen aan Cornelis Suijs door prins Willem van Oranje, bestond uit een lage en een hoge heerlijkheid, de laatste altijd in handen van de grafelijkheid. Niets mocht er verkocht of beleend worden. Cornelis Suijs, scherp jurist, had daar iets op gevonden. Tegen Philips de Tweede moet hij gezegd hebben: "U kunt met die heerljkheid toch niets beginnen, geef haar aan mij in pand." En dat is gebeurd, voor 600 gulden. Hij is de enige bestuurder geweest, die ooit de lage en hoge heerlijkheid beide heeft beheerd. Hij had de hele bestuursmacht in handen, kon schouten en ambtenaren benoemen. Doordat hij ook in Rijswijk ging wonen, op het huis De Burch (het familiegoed), was hij met recht de heer van Rijswijk. |
Zegel van die hoichgeleerde heere mr. Cornelis Suijs, here van Rijswijck.
d.d. 1-3-1579 |
4. Positie van Mr. Cornelis Suijs Uit: "oud Rijswijk" door H. Rodenburg. (Hfdst. XXI blz. 118 e.v. vervolg) Tenslotte werd Mr. Cornelis Suijs in 1559 benoemd tot president van het Hof van Holland. Vorige ambachtsheren waren niet woonachtig in Rijswijk, doch Cornelis Suijs was voor een belangrijk deel van het jaar ook ingezetene van Rijswijk, bij voorkeur in de zomer. 's Winters bewoonde hij echter het perceel Lange Voorhout - hoek - Heulstraat. (Noot: thans Raad van State) Uit het voorgaande moge blijken, dat Mr. Cornelis Suijs grote invloed had op de gang van zaken. Zijn grootvader Pieter Suijs, was gehuwd met Johanna van de Burch en het Buitengoed "Den Burch" kwam in 1491 in handen van de familie Suijs. In 1524 kwam de hofstede aan Cornelis Suijs. Hij stond in hoog aanzien bij Karel V en later Philips II en evenzeer bij de landvoogdessen Maria van Oostenrijk en Margaretha van Parma. Dit bracht mede, dat deze Rijswijkse ambachtsheer meermalen als vertegenwoordiger van de burgelijke en geestelijke overheid optrad. |
![]() Nicolaas Nieuwland, de eerste bisschop van Haarlem. Ook wel Dronken Klaasje genoemd. |
Zo werd op 27 oktober 1561 in een brief van paus Pius IV aan de prior van de abdij van Egmond bericht,
dat het bisdom Haarlem was opgericht en dat tot eerste bisschop benoemd was Nicolaas Nieuwland en ten derde,
dat de paus aan Cornelis Suijs het gemelde klooster had toegewezen: "pour dorenavant en avoir le mesme soin, administration et gouvernement que ci-devant soulevent les Abbes." Voorts dat bij de intocht van de nieuw-benoemde bisschop aan het hoofd van de adel Cornelis Suijs met 40 ruiters monseigneur tot Heemstede zou tegemoet rijden. Als derde voorbeeld diene, dat hij in 1563 met Dr. Gulielmus van der Lindt, hoofddeken van 's-Gravenhage en bisschop van Roermond, afgevaardigd werd om tegenwoordig te zijn bij de abdijkeuze van jonkvrouwe Fr. van der Dussen te Loosduinen, en om daar informatie te houden: "nyet alleen op den staet van 't voorsz godshuize, maar ook op 't leven, conversatie ende beleydt van de Religieuzen aldaer." |
Wapen van mr. Cornelis Suijs als embleem gepubliceerd in ca 1565 |
6. Trouw aan het katholieke geloof In 1572, het jaar van de hervorming, week de president van het Hof van Holland , Cornelis Suijs, die katholiek gebleven is, met het hele Hof uit naar Utrecht. Met de pacificatie van Gent in 1576 werd er amnesty verleend aan katholieken en Spaansgezinden en Suijs keerde naar Rijswijk terug. Ofschoon Suijs streng vasthield aan het katholieke geloof, heeft hij toch niet kunnen verhinderen, dat tijdens zijn ambtsvervulling in Rijswijk velen overgingen tot de reformatie. Het moet hem een doorn in het vlees geweest zijn, dat hij moest aanzien, dat bijvoorbeeld voor zijn huis op de Kneuterdijk een hagepreek werd gehouden, zonder dat hij dit kon verhinderen. Na de inneming van Den Briel (1 april 1572) week hij uit naar Utrecht en Brussel, doch na de pacificatie van Gent in 1576, toen men veronderstelde, dat de scherpste kanten van de strijd tussen protestantisme en katholicisme waren afgesleten, keerde hij naar Den Haag terug en wist te bedingen, dat bij eventueel overlijden hij toch in de gereformeerde kerk, die in 1570 in protestantse handen was gekomen, zou worden begraven. |
Hagepreek bij de Hoornbrug in Rijswijk |
Uit andere bronnen: Hij was een ijverig voorstander van de roomsche kerkleer en derhalve bij de onroomschen niet geacht. Zij ontzagen hem zoo weinig, dat zij hem voor het breken der beelden werkvolk lieten afzonderen en voor zijn huis te 's Hage een openbare preek hielden in het midden van eene verschansing van wagens, verdedigd door gewapende schutters van Delft. Deze hadden al twee keer eerder een hagepreek gehouden. Eerst bij de Hoornbrug (ten zuiden van Rijswijk richting Delft). vervolgens een preek in het Haagsche Bosch en de derde keer dus in het bestuurscentrum van Den Haag. Het huis te 's Hage was op de hoek van het Heulstraatje. Later woonde daar de raadspensionaris Cats en in 1806 stond op dien grond de regter vleugel van het huis der gravin van Wassenaar Twickel. Cornelis bleef den Koning getrouw, stond in groot aanzien bij de landvoogdes Margaretha en nam in 1572 de vlucht. Zijn huis was op het punt om met de woningen van de andere regenten door het volk afgebroken te worden, doch de regering van 's Hage kwam dit voor. |
Jan Pietrszoon Muys |
7. Relatie met de Delftse martelaar Musius Naar een boekwerkje van A. VAN DIJK O.F.M. in 1947 Uit de context van het uitgebreide verslag over leven en sterven van Musius en de verwijzingen daarin is duidelijk dat Mr. Cornelis Suijs en Musius nauwe vriendschappelijke relaties moeten hebben onderhouden. Suijs vluchtte op tijd. Musius, ten onrechte vertrouwend op zijn vriendschap met de prins, bleef te lang in Delft. Daar was hij overigens nog relatief veilig. Maar op de vlucht, wist Lumey hem te pakken te krijgen en in Leiden te laten martelen en ophangen. Cornelius Musius is 11 juni van het jaar 1500 te Delft geboren. Zijn vader, Jan Pieterszoon Muys, was schoenmaker van zijn vak; zijn moeder heette Lijsbet van het Woud. Ofschoon niet van hoge afkomst, was de familie Muys toch niet onbemiddeld, want na de dood van zijn ouders heeft Musius uit hun nalatenschap elk jaar een som van tweehonderd gulden ontvangen, voor die tijd een vrij groot bedrag. |
|
In 1575 werd hij van 's Koningswege tot den vruchteloozen vredeshandel te Breda gelastigd. In 1580 is er van De Burch een fraaie gekleurde kaart getekend met de oude kasteeltoren op de rand van het eilandje. Deze kaart behoort tot het archief van de Burch en bevindt zich in het Rijswijkse museum het Tollenshuis. Er is in Rijswijk een Cornelis Suijsstraat. |
De Grote of Sint Jacob kerk te 's-Gravenhage |
9. De begrafenis Van de CD de Wapenheraut haalde ik een stuk tekst over begrafenisrituelen, zoals het overluiden van een begrafenis. De klokken beginnen te luiden aan het eind van de kerkdienst, wanneer de lijkstoet de kerk verlaat. In de jaargang van Jaar 1902 op blad 242 e.v. staat een artikel van M.G. Wildeman onder de titel: AANTEEKENINGEN UIT DE RENTMEESTERS REKENINGEN DER GROOTE- OF ST. JACOBSKERK TE ’S-GRAVENHAGE, Loopende over het tijdvak 1577-1584. Uit dit stuk een aantal teksten die een beeld geven van het overluiden van een begrafenisaan het eind van de 16e eeuw, dus na de reformatie:
De nabestaanden van Barbara vonden een of twee posen kennelijk te kort en betaalden voor vier ‘poesen’. Haar vader overleed op 19 september 1580, maar werd pas op 24 september begraven. Met zulke termijnen werd je dus de spreekwoordelijke rijke stinkerd. Zijn nabestaanden betaalden voor 8 ‘poesen’. Het luiden van klokken bij begrafenissen mag dan wel een goed katholiek gebruik zijn, na de reformatie was er een behoorlijke weerstand tegen, die pas veel later weer is verdwenen. |
Interieur van de N.H. kerk te Rijswijk |
Als de oud-bisschop van Roermond in 1824 overlijdt, vraagt de pastoor van het dorp Beuningen aan de schout of hij de
klokken mag luiden. De schout, een protestant weet niets van dit ritueel. Hij geeft voorlopig geen toestemming en
laat zich intussen informeren. Daar wacht de pastoor niet op en geeft twee jongens de opdracht de klokken te luiden.
Dat loopt na enige herhalingen uit op een fikse rel. Uiteindelijk wint de volhouder, in dit geval de pastoor.
(uit: Uitvaert Zuipvaert, De calvinistische strijd in de zeventiende eeuw tegen begrafenisrituelen, een bachelor
werkstuk uit 2006 van WILLEM CLAASSEN) Al in de zestiende en zeventiende eeuw verboden de calvinisten dit overluiden in de eigen kerken en probeerden ook anderen te beletten het gebruik te handhaven. De weerstand was gebaseerd op de veronderstelling dat het een ‘Afgodisch luyden’ was. De boze geesten moesten weggehouden worden, was de veronderstelling. Ongetwijfeld zal lawaai maken bij begrafenissen, deze betekenis gehad kunnen hebben en aannemelijk is ook dat de katholieke kerk er een meester in was en is om zo’n heidens gebruik een ‘Roomse’ plek te geven. Is daarom het tegenhouden van volksgebruiken wel zo handig? Uiteindelijk niet getuige het verhaal uit Beuningen. In Noord-Hollandse stond de synode van 1583 het klokluiden weer toe door er – net zoals de katholieke gemeenschap dat gebruikelijk deed – er een nieuwe betekenis aan te geven. ‘Het luiden van de klokken geschiedt niet om den overledene daarmee te behelpen, maar ten einde diegenen, die op de begravinge beroepen zijn, hem daar mogen vinden ende dat een iegelijk van de vergankelijkheid des levens vermaand zijnde, hem in tijds tot den dood mag bereiden’. |
De N.H. kerk te Rijswijk |
Maar waarom dan toch standsverschil, d.w.z. ten aanzien van de duur en dus de kosten? De vraag stellen is hem
beantwoorden. Omdat van de ene dode meer te vangen is dan van de andere en de kerk wil ook na de dood dat ieder naar
vermogen bijdraagt. Toch kan ingeval van Mr. Cornelis Suijs nog iets anders meespelen. Hij woonde zowel in Rijswijk als in Den Haag. In Den haag werkte hij. In Rijswijk was zijn ouderlijk huis en hij was er graag. Daar wilde hij ook begraven worden en wel in de Nederlands Hervormde kerk. Hij was wel katholiek gebleven, maar de predikant, de voormalige vice cureit (onderpastoor of kapelaan) had daar geen enkele moeite mee. Ik denk dat de klokken zo lang moesten beieren, omdat de weg van de Haagse Sint-Jacob tot de Rijswijkse kerk nogal lang was. In het testament van Cornelis stond ook nog dat de kerk een boerenhoeve uit de erfenis kreeg, mits eeuwig op zijn sterfdag kaarsen zouden worden gebrand. De hoeve is geaccepteerd, maar hoe lang de kaarsen zijn blijven branden is onbekend. |
N.H. kerk te Rijswijk |
10. Het graf Rijswijk was de uit een Dordts regentengeslacht stammende ambachtsheer zeer dierbaar geworden en hij wilde, ondanks het feit, dat de dorpskerk in protestantse handen was overgegaan, toch in deze kerk begraven worden. Na zijn overlijden op 19 september 1581 werd aan zijn wens voldaan. Door het terugbrengen van zijn grafsteen op de oorspronkelijke plaats (noordkant in het midden) wordt de herinnering aan een der belangrijkste figuren uit de geschiedenis van Rijswijk levend gehouden. Uit een gesprek met de huidige (en vermoedelijk laatste) kerkmeester van deze kerk bleek mij in november 1982 dat het graf is verplaatst. (Althans de zerk !) De grafsteen ligt in 1982 in een hoek van de kerk. Vroeger moet het graf in het midden van de noordzijde van de kerk hebben gelegen. |
N.H. kerk te Rijswijk |
Toen ik in mei 2010 opnieuw foto's ging maken, bleek het wederom verplaatst te zijn. Nu was het graf in het hoogkoor geplaatst, maar een houten afscheidingswand was met weinig respekt over het graf geplaatst, waardoor een deel van het graf in het verkleinde hoogkoor en een deel in de kerk ligt. Van de restauratie uit 1982 is daardoor weinig te zien. |
Restauraties (1982) aan graf van Mr. Cornelis Suijs (N.H. kerk te Rijswijk |
"Restauratie Oude Kerk Rijswijk vordert gestaag." ; "Anne Krikke herstelt grafsteen Cornelis Suijs."
RIJSWIJK - Mr. Cornelis Suijs, raadordinarius van het Hof van Holland en ambachtsheer van Rijswijk, neemt in de
geschiedenis van het volgens de historici in de elfde eeuw gestichte dorp Rijswijk een belangrijke plaats in.
Hij werd in de Oude Kerk begraven en de steen, die het familiegraf dekt, krijgt bij de restauratie van het
erkgebouw zijn juiste plaats terug. Alleen, de steen is in stukken gebroken en beschadigd. Een aannemingsbedrijf uit Ameide, die de restauratie uitvoert, beschikt echter over een bekwame beeldhouwer in de Fries Anne Krikke, die men deze week met het karwei om van de brokstukken een geheel te maken, bezig kan zien. De belangstellende toeschouwer is hierover met ontzag vervult, maar Anne Krikke is er niet van onder de indruk. Deze specialist in restauratie beeldhouwwerk heeft wel voor hetere vuren gestaan. bijvoorbeeld .......... Anne verwacht aan het eind van de week de Rijswijkse graf steen uit 1545 gerestaureerd te hebben en het opschrift weer gaaf te kunnen afleveren. |
Hoek van het graf met wapenafbeelding |
Op 23 januari 1984 had ik een kort telefoongesprek met de beeldhouwer Anne Krikke. Het enige feitenmateriaal dat hij kon meedelen had betrekking op zijn werk aan de grafsteen. De grafsteen was volgens zijn zeggen in vier delen gebroken. Deze delen zijn door middel van bronzen (pennen?) onderling verbonden. De spleten en gaten zijn vervolgens met kunststof opgevuld en het relief is vergroot. Ook is de steen weer iets verplaatst naar het midden van de kerk en ligt zodoende weer op zijn oude plaats. Meer mocht hij er niet aan doen. |
van der Duijn, kleinzoon van Margaretha Suijs |
11. De erfenis In een "Memoriael" (1581 en 1582) wordt uivoerig ingegaan op de moeilijkheden die eerst ontstonden door het uitwijken van Cornelis Suijs naar Utrecht en later, na zijn dood, tijdens het beheer van Margaretha. Bij de verdeling van de door Cornelis Suijs nagelaten goederen onder zijn erfgenamen werd aan zijn dochter Margaretha de ambachtsheerlijkheid toegewezen, waarmee zij dankzij invloedrijke vrienden reeds op 26 september 1581 werd beleend. Margaretha huwde nog voor het jaar teneinde was met Jonkheer Adam van der Duijn. Door dit huwelijk van zijn enige dochter (N.B. dit moet niet geheel juist zijn. Wellicht leefden de anderen niet meer op dat moment?) Margaretha met Jonkheer Adam van der Duijn, heer van 's-Gravenmoer, kwam de ambachtsheerlijkheid aan het geslacht van der Duijn tot 1688. Meestentijds vertoefde de nieuwe ambachtsheer (N.B. van der Duijn) op zijn bezittingen in brabant. Het wapen van de familie (v.d.D), in hout uitgesneden, prijkt thans nog boven de deur van de grote kapel van de Nederlands Hervormde kerk. (Oude Kerk te Rijswijk) Met de dood van Cornelis Suijs was de hoge heerlijkheid weer gekomen aan de Staten van Holland. Als ambachtsheer werd Adam opgevolgd door zijn zoon Nicolaas, die in 1624 na de dood van zijn tante Maria Suijs eveneens met de hofstede "De Burch" werd beleend, waar hij in 1649 zou overlijden. |