Hieronder staan korte stukjes in een omgekeerde chronologische volgorde.

14 Januari 2020 Vlijmen Boekpresentatie Samen eervol overleefd. Voor een foto impressie ga naar FotoVlijmen.

Januari 1945 München-Giesing (fragmenten uit Samen eervol overleefd)

Ella Lingens (Oostenrijkse kamparts-gevangene):Onze commandant doet echt zijn best om het voedsel voor ons zeker te stellen, maar hij heeft niet altijd succes en is verontwaardigd dat zijn goede wil geen enkele indruk maakt op de vrouwen, maar dat juist de ontevre­denheid groeit. In januari is er geen zout meer en krijgen we drie dagen onge­zouten, bijna niet eetbare dunne soep.

Marie Bartette (Francaise):Tegen het midden van januari wordt de soep die we in de fabriek krijgen steeds helderder. De stukjes aardappel die de basis vormden, zijn ver­dwenen. De blaadjes kool drijven in een grote hoeveelheid water.

Januari 1945 Nederland

Terwijl boven de rivieren de hongerwinter is aangebroken, begint het voedseltransport beneden de rivieren weer op gang te komen.

Oudjaar 1944 München-Giesing (fragmenten uit Samen eervol overleefd)

Tiny Boosman: Voor de oudejaarsavond hebben we allen steeds wat gespaard en nog wat extra jam en aardappelen gekregen. Hiervan worden de meest fan­tastische gerechten gemaakt. We breken de bedden af en maken daar een tafel van, schrijven prachtige menu’s. Papier en dergelijke gappen we in de fabriek en we maken tafelversieringen van zilverpapier. Verschillende vrouwen dragen wat voor en daar wij een danseres in ons midden hebben, geeft die van haar kunst ook iets ten beste. Het is een onderonsje van ons flatje en ook de andere groepjes hebben meestal iets dergelijks gedaan. Het geheel is werkelijk een aardige prestatie geworden maar na afloop van ons diner, waar we zo voor gehongerd hebben, hebben we honger. Water is nu eenmaal een onvermijdelijk hoofdbestanddeel geweest.

Kiky Heinsius: In onze woning bestaat weinig animo om oudejaarsavond te vieren. Toch kan ik er niet toe komen om net als de anderen vroeg naar bed te gaan. (..) Ik trek mijn mantel aan en dwaal in m’n eentje wat rond door het blok. In sommige woningen brandt nog licht en zitten wat vrouwen bij elkaar. Hier en daar ga ik even naar binnen, maar ik voel me een beetje als een indringer en daarom ga ik (..) ten slotte terug naar onze woning. Daar is iedereen in diepe rust. Om niet te storen ga ik naar het toilet, doe het raam open en ga op de bril van de wc zitten. Buiten is het doodstil en in de huisjes van de volkstuinen brandt nog maar hier en daar een lichtje. Starend in de don­kere nacht, mijn gedachten bij de familie thuis in Amsterdam, wacht ik op gelui­den van buiten die me vertellen zullen dat het nieuwe jaar begonnen is. Het jaar dat ons de zo lang verwachte bevrijding moet brengen.

Oudjaar eind jaren veertig ‘s-Hertogenbosch

Hans Suijs: Al vroeg in de ochtend feliciteren wij onze moeder met haar verjaardag. Tante Jos en Oom Leo zijn daarbij, want die wonen ook met ons in het ouderlijk huis van de twee zussen in de binnenstad. Hun vader, mijn opa, is kort tevoren overleden. In de ochtend komen de eerste gasten, maar in de middag wordt het pas echt gezellig. Alles in nog ‘op de bon’, maar alles wordt gedeeld. Ineens is er groot feest wanneer een van de verzetsvrienden met een kruik jenever als cadeau komt binnenvallen. Die gaat open en met kleine zuinige teugjes uit kleine borrelglaasjes wordt er echt feest gevierd. Oudjaar is altijd een drukke dag gebleven tot aan haar overlijden. Ongeveer 60 bezoekers per verjaardag was gewoon en pas tegen tienen in de avond verdween de laatste…..

Kerstmis 1944 Reichenbach (fragmenten uit Samen eervol overleefd)

Mieke Steensma: In hemd en onderbroek van gestreept flanel, een rok en ’n vestje. Zonder jas en zonder kousen. Karton van de fabriek zorgt voor wat extra lagen. In het dal beginnen overal kerstklokken te luiden. De burgerbevolking van het ‘Groszdeutsche Reich’ maakt zich op om Kerstmis te vieren. Een prachtige heldere sterrenhemel staat daar boven ons, de grond onder onze ijskoude voeten is stijf bevroren. (…) Zo heel ver weg als ik in gedachten ben, hoor ik het gebral van de moffen niet eens. “Wat is het koud en wat duurt het eindeloos lang”, vinden de anderen. Ja, de koude gaat dwars door je heen; maar lang, dat avondappèl? Ik hoor alleen maar die luidende kerkklokken. (…) Het vriest dat het kraakt, tussen de twintig en dertig graden en het is Kerstmis. Iets van vrede daalt in mijn hart tijdens dat Heiligenabendappèl. Wonderlijk is het wel…

Kerstmis 1944 Dachau München-Giesing (fragmenten uit Samen eervol overleefd)

Marie Bartette: Het kerstfeest is erg belangrijk voor de Duitsers. In het kamp wordt het gevierd met een smakelijke goede soep in de middag. Overdag ma­ken we de kantine schoon en versieren deze. Overal in alle kamers zijn er spar­rentakken en versieringen van oranje zijdepapier. De Hollanders grijpen dit aan om strikjes in hun haar of op hun jurken te doen en hebben er veel plezier in om de kleur van hun konink­lijk huis daarin te verwerken.

Kiky Heinsius: Op de avond van de eerste kerstdag is er weer feest in de eet­zaal. De Polen hebben een kerstspel gemaakt dat ze die avond zullen opvoe­ren. De tafels zijn aan de kant geschoven zodat er ruimte komt voor het ‘toneel’ en de banken staan als in een echte schouwburg in rijen achter elkaar. (…) Ter ere van de feestelijke gelegenheid zijn er hoge officieren uit Dachau uitgenodigd. Zij zitten breeduit op de eerste rij. De commandant dribbelt bedrijvig rond, duidelijk trots op z’n aardige, gediscipli­neerde groep vrouwelijke gevangenen. Dat is nog eens wat anders dan die gore troep in Dachau; dat zal de heren intussen toch ook wel opgevallen zijn. Na de voorstelling vraagt de commandant aan de Joegoslaven (Slovenen) of ze bereid zijn voor de hoge gasten uit Dachau hun mooie volkslied te zingen. Het lied dat hij bedoelt, heeft hij de vrouwen dikwijls horen zingen. Alleen is dit niet het volkslied, maar het lied van de Joegoslavische partizanen, dat eindigt met de woorden: ’en daarom zullen alle moffen worden afgeslacht’.

Kerstmis eind jaren 40 ‘s-Hertogenbosch

Hans Suijs: Ik was 5 of 6 jaar oud. We woonden in het centrum van de stad. Toen waren er nog koude winters. Naar de Kerst-Mis ging je midden in de nacht. De Heilige Mis, of beter de drie achtereenvolgende missen, begonnen om vier uur in de nacht. Plaats van handeling was niet de Sint Pieterskerk, maar het parochiehuis daarachter. Op de bovenverdieping werd door aalmoezenier Hoek, een witte pater, de mis gedaan. De kerkgangers waren de bewoners van de wijk ‘de Pijp’ die achter de kerk lag. Dat was niet de meest welvarende wijk, integendeel. De kerkgangers kregen na de missen een koffiemaaltijd aangeboden. Armoede was troef, dus een kerkgang maakte tenminste ook materieel iets goed. Je kon de alcohol van enige (te) laat binnenkomende mannen ruiken. Ze kwamen duidelijk rechtstreeks uit de kroeg. Ze kregen van hun vrouw nog een por in de ribbenkast en een boze blik, terwijl de kleine kinderen rond hun moeder in de banken zaten. De eerste mis was plechtig, de tweede aanmerkelijk korter en de derde werd afgeraffeld, terwijl de misdienaars tot spoed werden gemaand door de pater. In ongeveer anderhalf uur was het kerkelijk deel voorbij.

Na het finale woord van de priester: “Ite Missa Est” en het antwoord: “Deo Gratias”, samen te vatten als: “Goddank het is voorbij”, ging iedereen de trappen af naar beneden waar de koffie en de besmeerde broodjes al klaargemaakt waren. Veel drukte en geklets. Mijn moeder was na de oorlog in het sociale netwerk gedoken c.q. gevraagd te helpen door de pater. Ik heb me altijd erg thuis gevoeld in die omgeving. Even waren er geen zorgen in die vredige vroege morgen.