23 april 1943 Radio Oranje met toespraak Koningin Wilhelmina
Landgenoten in Nederland. Allen wier gezin uiteen gerukt is, geef ik de verzekering dat zodra wij vrij zijn het uiterste gedaan zal worden om deze nieuwe slachtoffers van het schrikbewind ten spoedigste te doen terugkeren en hun leed en dat onder hun zwaar beproefde gezinnen zoveel mogelijk te verzachten. Plannen liggen gereed om hun terugkeer zo doeltreffend en zo vlug mogelijk te doen verlopen en hen gezond en wel naar hun woonplaatsen terug te voeren.
Maar zo gereed waren die plannen niet. In Londen besefte men in die tijd wel dat de massale terugkeer van Nederlandse Joden, (krijgs-)gevangenen en tewerkgestelden in Duitsland na de bevrijding tot grote problemen zou leiden. Eind 1943 wordt daarom G.F. Ferwerda benoemd tot regeringscommissaris voor Repatriëring. Hij begint met zijn bureau plannen te maken.
Erg realistisch zijn deze echter niet. Hij schat een half jaar later in dat ongeveer ZESTIGDUIZEND Joden na de oorlog moeten worden teruggebracht naar huis. Van de ongeveer honderdduizend gedeporteerde Joden blijken er uiteindelijk maar VIJFDUIZEND levend overgebleven.
Latere getallen spreken dat van de ca 140.000 joodse Nederlanders van vóór 1940 er na 1945 102.000 zijn omgekomen. Velen, maar nooit genoeg doken onder.
Ook de andere schattingen zitten er stevig naast. In totaal moeten namelijk VIERHONDERDDUIZEND Nederlanders terugkeren, de meesten daarvan zijn dwangarbeider (slachtoffers van de Arbeitseinsatz). Deze waren er relatief genadig van afgekomen en verkeerden min of meer in redelijke gezondheid. Ook de TWAALFDUIZEND krijgsgevangenen waren veelal in redelijke conditie. Deze laatste groep werd door collega militairen uit de geallieerde legers snel op weg naar huis geholpen, terwijl groepjes dwangarbeiders hun terugkeer veelal zelf regelden.
Totaal anders was het met de VIJFDUIZEND Joodse slachtoffers en de TIENDUIZEND politieke gevangenen. Zij waren niet in staat om zelfstandig terug te keren en moesten afwachten totdat er hulp uit Nederland kwam. Die bleef veelal uit.

Alle landen hadden gekozen voor een repatriëring door eigen militairen. Zelfs de terugkeer van Franse en Nederlandse vrouwen uit Ravensbrück naar Zweden werd door de Zweedse overheid met militairen en het Rode Kruis georganiseerd. Zeer succesvol. Het heeft levens gered door deze snelle interventie.
Nederland ging de terugkeer niet via het leger maar via het ministerie van Sociale Zaken regelen. Waarom? Omdat men het Militair Gezag wanvertrouwde. Een Militair Gezag dat door diezelfde regering was ingesteld onder leiding van Generaal Kruls. In de wandelgang kreeg die organisatie vrij snel na de bevrijding van het Zuidelijk deel van ons land de bijnaam Het Circus Kruls. Het wantrouwen bleek terecht.
Maar ook Ferwerda was weinig succesvol. In april 1945 (na ruim een jaar voorbereiding) had hij de beschikking over TWEE motorfietsen en VIER kleine vrachtwagens en ZESTIG ambtenaren.
Terwijl de gevangenen van andere landen door goed georganiseerde eigen militaire hulpteams werden opgehaald, Moesten de Nederlandse gevangenen hulpeloos en gefrustreerd toekijken en afwachten.
Maar het werd nog gekker. Ferwerda had uiteindelijk in mei 1945 met heel veel moeite enkele tientallen vrachtwagens en ambulances uit Engeland weten te krijgen. De gevangenen van Buchenwald konden worden opgehaald. Het Militair gezag had zelf ook een repatriëringsdienst opgezet en nam de voertuigen prompt in beslag voor “dringender noden” in het Westen van Nederland.
Toen midden mei via een grote omweg vanuit Dachau door Zuid-Duitsland, Zwitserland en Frankrijk honderden Nederlandse vrouwen in België aankwamen, verhinderde het Militair Gezag hun doortocht naar huis. Na enkele dagen en door interventie van de Amerikaanse militairen werden deze vrouwen, samen met NSB-vrouwen die ook wilden terugkeren, in de trein naar Roosendaal gezet. Op het station werden ze uitgescholden voor moffenhoeren. het is dan 21 mei 1945.
Gedurende de gehele oorlog is door het Nederlandse Rode Kruis geen enkel voedselpakket naar de kampen gestuurd. Waarom niet? Omdat men de Duitsers niet voor het hoofd wilde stoten!
Op 24 mei 1945 wordt de Repatriëringsdienst van Ferwerda opgeheven. Het Militair gezag heeft de slag om de repatriëring gewonnen. Maar vooral heeft de Nederlandse regering, inclusief het staatshoofd hebben daarvoor, maar ook daarna voortdurend de plank kolossaal misgeslagen.
“Plannen liggen gereed om hun terugkeer zo doeltreffend en zo vlug mogelijk te doen verlopen“.
Een erfelijke onkunde die minstens tot en met de crises in Groningen en de Toeslagenaffaire zal voortduren.
Mijn moeder ontving na de oorlog een bijzonder schamele bijstand van 25 gulden per maand. Het werd korte tijd later iets beter, maar het duurde tot ca 1965 eer het militair pensioen een beetje leefbaar werd. Toen hadden we het niet meer nodig want mijn broer en ik waren klaar met onze studies en hadden werk. Daarvoor was het duidelijk armoede!

Daar word je overigens wel vindingrijk van. Duurzaamheid en hergebruik kwam tot uitdrukking door tweedehands speelgoed. Niets mis mee. Recyclen hebben wij vooral in de twintig jaar voor 1965 geleerd.

Mijn moeder had een herbouwplicht voor het verwoeste huis in Vlijmen, maar dat bouwen moest dus daar Vlijmen waar het huis vernietigd was. Het mocht niet in ‘s-Hertogenbosch gebouwd worden. De ambtenaar in Den haag, waar mijn moeder verhaal ging halen en die tegenwerkte bleek een voormalige NSB’er uit Noord Brabant te zijn. Het Voormalig Verzet protesteerde namens haar bij de bevelhebber van de Binnenlandse Strijdkrachten. Deze bevelhebber, prins Bernhard, greep in en per omgaande kwam de vergunning en mijn moeder kon gaan bouwen. Ik hield van dit alles wel een levenslang wantrouwen ten opzichte van politici en ambtenaren over.

Een onderscheiding voor mijn vader werd op 7 juni 1949 toegekend. Maar mijn moeder moest de kosten van de medaille wel zelf per omgaande betalen! Een welgemeend eerbetoon?
Er zijn meer korte verhaaltjes over de Tweede Wereldoorlog en kort daarna. Deze zijn terug te vinden in Blog Archief Wo2.
